Elektrische treinstellen

In navolging op de acht stroomlijntreinstellen van het type Materieel '35 bestelt NS in 1936 een grote serie elektrische treinstellen. Werkspoor bouwt 53 tweewagenstellen, onder andere bestemd voor de Hofpleinlijn. Allan en Beijnes bouwen 37 driewagenstellen die bestemd zijn voor het Middennet. Beide series'zijn qua uiterlijk vrijwel gelijk, maar vormen in wezen verschillende materieeltypen. De tweewagenstellen zijn technisch nagenoeg gelijk aan het Materieel '35. Omdat ze bestemd zijn voor het voorstadsverkeer hebben ze slechts een kleine bagageruimte. De driewagenstellen zijn bestemd voor het langeafstandsvervoer op het geëlektrificeerde Middennet. De treinstellen zijn onder andere voorzien van een grote bagageruimte, enkele coupés met zijingang en een keuken. In tegenstelling tot de tweewagenstellen heeft elk rijtuig eigen draaistellen. De snelgroeiende behoefte aan elektrisch reizigersmaterieel zorgt er in 1942 voor dat het grootste deel van zowel de twee- als de driewagenstellen met een rijtuig wordt verlengd.

Om de exploitatie van de regionale treinen op de Hoekse Lijn enigzins kostendekkend te maken, besluit NS de spoorlijn in aansluiting op de Oude Lijn te elektrificeren. De vervoerder kiest er bovendien voor om niet, zoals bij eerdere elektrificaties, weer een nieuwe reeks Blokkendoosrijtuigen te bestellen. In plaats daarvan schaft NS in navolging op het dieselelektrische stroomlijnmaterieel acht elektrische treinstellen met automatische koppelingen aan. Werkspoor, Beijnes en Allan leveren in 1935 verschillende rijtuigbakken waaruit vier tweewagenstellen met bagageruimte en vier tweewagenstellen zonder bagageruimte worden gecreëerd.

Voor de aanleg van de eerste geëlektrificeerde spoorlijn in Nederland is begin 1900 Zuid-Hollandsche Electrische Spoorweg-Maatschappij opgericht. Voor exploitatie van de nieuwe verbinding tussen Rotterdam, Den Haag en Scheveningen laat de ZHESM 19 motorrijtuigen en 9 volgrijtuigen bouwen. De eerste elektrische treinen rijden vanaf 1908 op de zogenaamde Hofpleinlijn. Door het succes van de verbinding is het materieelpark in de loop der jaren met diverse rijtuigen uitgebreid. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is een groot deel van de rijtuigen naar Duitsland en Polen afgevoerd. Na de oorlog komen de laatste rijtuigen vrijwel niet meer een actie. Een aantal volgrijtuigen is nog tot in 1954 in dienst. Eén motorrijtuig rijdt nog tot 1956 tussen de werkplaatsen van Haarlem en Leidschendam en is hierna opgenomen in de collectie van het Spoorwegmuseum.