Martijn van Vulpen

In de periode dat een groot deel van Nederland wordt ontsloten door een net van lokaalspoorwegen en tramlijnen, dreigt het dorp Dinxperlo buiten de boot te vallen. Sinds 1872 zijn er initiatieven om het dorp, al dan niet via een doorgaande lijn naar Duitsland met het spoorwegnet te verbinden. Het duurt echter nog tot september 1901 wanneer de Locaal Spoorweg Maatschappij Dinxperlo - Varsseveld wordt opgericht. De DV legt hierna een lokaalspoorlijn tussen Dinxperlo en Varsseveld aan. De tien kilometer lange spoorlijn is op 1 december 1904 in gebruik genomen. De nieuwe verbinding wordt net als de aansluitende GOLS-lijn Winterswijk - Zevenaar geëxploiteerd door de HSM.

In aansluiting op de staatslijn Zaandam - Enkhuizen legt de Locaalspoorwegmaatschappij Hollands Noorderkwartier een twintig kilometer lange lokaalspoorweg tussen Hoorn en Medemblik aan. De spoorlijn wordt net als de staatslijn en diverse andere lijnen in de regio sinds de opening in 1887 geëxploiteerd door de HSM. Eind 1935 wordt het reizigersvervoer op het baanvak gestaakt. Tijdens de Tweede Wereldoorlog keren de reizigerstreinen voor enkele maanden terug op de lokaallijn. NS staakt het goederenvervoer in 1973. Ondertussen rijdt de Tramweg Stichting dan al vijf jaar toeristische ritten over de spoorlijn. Vanaf 1973 rijdt de Stoomtram Hoorn-Medemblik tussen beide plaatsen. Naast toeristische ritten rijdt de SHM tot 1979 ook de goederentreinen over het baanvak.

In aansluiting op het GOLS-net legt de Ahaus - Enscheder Eisenbahn-Gesellschaft AG aan het begin van de twintigste eeuw een lokaallijn tussen Enschede en Ahaus aan. Net als de meeste grensoverschreidende spoorwegverbindingen in de regio is de lijn hoofdzakelijk bedoeld voor de aanvoer van steenkool voor de Twentse textielindustrie. De lijn is officieel op 18 februari 1903 geopend. Door de slechte toestand van het baanvak duurt het echter nog ruim twee maanden voordat de exploitatie van start gaat. De treindienst wordt net als de andere lokaallijnen van de GOLS uitgevoerd door de HSM. Terwijl de lokaaltreinen naar Haaksbergen en Oldenzaal gebruikmaken van het station Enschede Noord, rijden de reizigerstreinen op de nieuwe verbinding van en naar het nieuwe station Enschede Zuid. Voor het goederenvervoer is een verbinding naar de lijn Boekelo - Enschede aangelegd.

De Lokaalspoorwegmaatschappij Enschedé-Oldenzaal legt in het verlengde van de GOLS-lijn Boekelo - Enschede een spoorlijn naar Oldenzaal aan. De kilometrering telt dan ook door vanaf de lijn uit Boekelo. Het bijna tien kilometer lange traject wordt in april 1890 geopend. De E.O. en de GOLS maken in Enschede gebruik van station Enschede Noord. In Oldenzaal bouwt de spoorwegmaatschappij ten zuiden van de spoorlijn Almelo - Salzbergen een eigen stationsgebouw op basis van een standaardontwerp van de GOLS. Beide emplacementen zijn direct na de opening van de spoorlijn met elkaar verbonden.

In 1904 wordt de NV Locaalspoorweg-Maatschappij Neede-Hellendoorn opgericht. Hoewel het lange tijd de bedoeling is de lokaallijnen van de GOLS en de NOLS via een spoorlijn tussen Neede en Ommen te verbinden, legt de NH uiteindelijk alleen de lijn Neede - Hellendoorn aan. De spoorlijn verbindt vanaf 1910 verschillende dorpen en fabrieken met het landelijke en regionale spoorwegnet. De verbinding wordt geëxploiteerd door de HSM, wat er voor zorgt dat de lijnen van de Staatsspoorwegen worden gekruist en alleen voor het goederenvervoer een aansluiting krijgen. De lage reizigersaantallen, het verdwijnen van de concurrentie op het spoor en vooral de aanleg van het Twentekanaal zorgt in 1935 voor een vroegtijdige sluiting van de lokaallijn. Korte delen blijven nog enkele decennia in gebruik voor het vervoer van goederen. Hiervoor zijn in Nijverdal en Goor nieuwe verbindingsbanen aangelegd.

Kort na de eeuwwisseling ontstaan de eerste plannen voor de aanleg van een spoorlijn tussen het regionale spoorwegknooppunt Stadskanaal en het Duitse spoorwegnet bij Meppen. In 1914 wordt voor de aanleg van het Nederlandse deel van het traject de STAR opgericht. Tien jaar later is het baanvak tot Ter Apel Rijksgrens gereed. Het Duitse deel is nooit aangelegd. Het vervoer naar de grens is al na twee jaar gestaakt. Negen jaar later stopt ook al het vervoer op de rest van het baanvak. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is het goederenvervoer tussen Stadskanaal en Ter Apel hervat. Terwijl in 1972 de laatste goederentreinen tussen Musselkanaal - Ter Apel rijden, duurt het uiteindelijk tot 1990 tot Stadskanaal, Nieuw-Buinen en Musselkanaal voor het laatst worden bediend. Enkele jaren later neemt Stichting Stadskanaal Rail de spoorlijn tot Musselkanaal in gebruik voor toeristische ritten.

In 1896 wordt de Utrechtse Lokaalspoorweg Maatschappij opgericht. In juni 1898 opent de spoorwegmaatschappij in aansluiting op de Centraalspoorweg de verbinding Den Dolder - Baarn. Het enkelsporige traject is elf kilometer lang en heeft in Soest drie stations. Alleen het station Soest krijgt een klein emplacement en een kruisingsmogelijkheid. In Baarn bouwt de ULS een eigen stationsgebouw tegenover het bestaande station van de HSM aan de Oosterspoorweg. De NCS exploiteert de treindienst op het zogenaamde Stichtse Lijntje. In 1948 is de lokaallijn elektrisch berijdbaar en verruilen de reizigerstreinen het Baarnse Buurtstation voor het station aan de Oosterspoorweg. Begin jaren '70 verdwijnt het goederenvervoer van de lijn en zijn de bijbehorende emplacementen in Baarn en Soest opgebroken. Hierna verandert nog weinig aan de spoorlijn en straalt het Stichtse Lijntje nog altijd de sfeer van een lokaallijn uit. Zo zijn de monumentale stationsgebouwen bewaard gebleven en rijden de treinen tussen de Soester stations nog altijd slechts 40 kilometer per uur.   

De Nederlandsche Centraal Spoorweg-Maatschappij richt zich na de opening van de spoorlijn Utrecht - Kampen niet langer op landelijke verbindingen maar vooral op het opkomende forensenverkeer rond Utrecht. Verschillende dochterondernemingen leggen zogenaamde buurtspoorwegen naar de dorpen rond de stad Utrecht aan. De NCS exploiteert vervolgens deze verbindingen. De aantrekkelijke omgeving en goede verbinding met de stad zorgt ervoor dat enkele dorpen een enorme groei doormaken. Ook het toerisme in de bosrijke omgeving wordt in deze tijd steeds populairder. In december 1900 is de Nederlandsche Buurtspoorweg-Maatschappij opgericht. De spoorwegmaatschappij is een zelfstandige dochteronderneming van de NCS en legt in aansluiting op de Centraalspoorweg een zeven kilometer lange lokaalspoorweg van De Bilt naar Zeist aan.

Wanneer de NOLS ondanks eerdere plannen geen spoorlijn via Slochteren aanlegt en de Groningse Woldstreek verstoken blijft van een railverbinding, ontstaan de plannen voor een spoorlijn Groningen - Slochteren - Delfzijl. Onder andere door de Eerste Wereldoorlog duurt het tot 1923 wanneer de NV Woldjerspoorweg en Stoomtramwegen in Midden- en Noordelijk Groningen, afgekort WESTIG, wordt opgericht. Nog voor de start van aanleg van de verbinding, verandert het bedrijf de naam in Woldjerspoorwegmaatschappij. De 36 kilometer lange spoorlijn is eind jaren '20 aangelegd en sluit in Weiwerd aan op de NOLS-lijn Zuidbroek - Delfzijl. De tweede rechtstreekse spoorwegverbinding tussen Groningen en Delfzijl is uiteindelijk op 1 juli 1929 in gebruik genomen.

De Haarlem-Zandvoort Spoorweg Maatschappij is in 1879 de eerste spoorwegmaatschappij die na het aannemen van de Lokaalspoorwegwet van 1878 een concessie voor de aanleg van een lokaalspoorweg krijgt. Dat het oorspronkelijke vissersdorp Zandvoort in die tijd in Duitsland al een goede naam als badplaats heeft, blijkt wel uit de directie van de HZSM die voornamelijk uit Duitse investeerders bestaat. In 1881 is de enkelsporige verbinding tussen Haarlem en Zandvoort als eerste Nederlandse lokaalspoorweg in gebruik genomen. In Haarlem maakt de HZSM gebruik van het station van de HSM. Diezelfde HSM neemt de spoorlijn in 1889 over en bouwt de om tot dubbelsporige hoofdspoorweg. In 1908 krijgt Zandvoort een nieuw stationsgebouw. De spoorlijn is in 1935 elektrisch berijdbaar. Van 1961 tot 1995 is Zandvoort begin- en eindpunt van de doorgetrokken intercityverbinding tussen Zuid-Limburg en Amsterdam. In de jaren hiervoor en hierna rijden op het traject vrijwel alleen pendeltreinen van en naar Haarlem en Amsterdam. In de zomermaanden is de treindienst sterk uitgebreid.