Staat der Nederlanden

Halverwege de negentiende eeuw ligt Nederland qua spoorwegbouw ver achter bij de omringende landen. Onder andere door het omvangrijke netwerk van waterwegen wordt de aanleg van spoorlijnen lange tijd niet noodzakelijk geacht. Bovendien is de overbrugging van de grote rivieren voor particuliere investeerders te duur. Het spoorwegnet bestaat in 1860 dan ook alleen uit de Oude Lijn van de HSM, de Rhijnspoorweg van de NRS en enkele spoorlijnen van buitenlandse spoorwegmaatschappijen in de grensstreek. Begin dat jaar wordt een wetsvoorstel ingediend om een tiental spoorlijnen met overheidsgeld aan te leggen. Na de nodige onenigheid en de val van een kabinet wordt in augustus 1860 de wet tot aanleg van de tien staatsspoorwegen aangenomen. Het plan omvat de volgende staatslijnen:

Wanneer de eerste staatsaanleg bijna voltooid is, besluit de regering in 1873 nog twee ontbrekende schakels aan te leggen. Tussen Lage Zwaluwe en Zevenbergen wordt de staatslijn Rotterdam - Breda verbonden met de lijn tussen Moerdijk en Roosendaal van de Grand Central Belge. Zo ontstaat een korte verbinding van Rotterdam naar Zeeland en België. De tweede verbinding wordt aangelegd tussen Arnhem en Nijmegen. De korte verbinding is relatief duur door de bouw van twee grote bruggen. Ondertussen worden plannen gemaakt om het spoorwegnet nog verder te completeren. In 1875 is besloten nog negen staatslijnen aan te leggen: