Elektrische treinstellen

Met het oog op de volgende etappe van de elektrificatie van het Nederlandse spoorwegnet bestelt NS in december 1939 in navolging van het Materieel '36 opnieuw een reeks elektrisch stroomlijnmaterieel. De serie Materieel '40 bestaat uit 25 vijfwagenstellen en 15 tweewagenstellen. De vijfwagenstellen en twaalf tweewagenstellen tijdens de Tweede Wereldoorlog kortstondig in dienst. Bij de meeste tweewagenstellen ontbreken zelfs de motoren. Na herstel van de oorlogsschade komen uiteindelijk 29 treinstellen weer in dienst. Het materieel degradeert al snel tot het spitsvervoer en de laatste tweewagenstellen gaan al in 1970 terzijde. De laatste vijfwagenstellen volgen twee jaar later.

In navolging van het Materieel '35 bestelt NS in 1936 een grote serie elektrische treinstellen, voornamelijk bestemd voor het te elektrificeren Middennet waar dan al enkele jaren de morderne stroomlijndiesels rijden. Eind jaren '30 zijn de 90 twee- en driewagenstellen gereed. De snelgroeiende behoefte aan elektrisch reizigersmaterieel tijdens de oorlog zorgt er in 1942 voor dat het grootste deel van de treinstellen met een rijtuig is verlengd. Na de oorlog is opnieuw een aantal treinstellen verlengd en zijn met de onbeschadigde en diverse herstelde rijtuigen zoveel mogelijk treinstellen geformeerd. In de loop van de jaren '60 gaat de complete serie buiten dienst. Treinstel 252 is bewaard door het Spoorwegmuseum.

Om de exploitatie van de regionale treinen op de Hoekse Lijn enigzins kostendekkend te maken, besluit NS de spoorlijn in aansluiting op de Oude Lijn te elektrificeren. De vervoerder kiest er bovendien voor om niet, zoals bij eerdere elektrificaties, weer een nieuwe reeks Blokkendoosrijtuigen te bestellen. In plaats daarvan schaft NS in navolging van het dieselelektrische stroomlijnmaterieel acht elektrische treinstellen met automatische koppelingen aan. Werkspoor, Beijnes en Allan leveren in 1935 verschillende rijtuigbakken waaruit vier tweewagenstellen met bagageruimte en vier tweewagenstellen zonder bagageruimte worden gecreëerd.

In de periode 1923-1932 bouwen vier verschillende fabrikanten bijna 260 rijtuigen van het type Materieel '24. De rijtuigen zijn verdeeld over vijf types motorrijtuigen en acht types gewone rijtuigen. Tegelijkertijd met de bouw van het zogenaamde Blokkendoosmaterieel zijn diverse lijnen in het westen van het land geëlektrificeerd. De eerste decennia worden de rijtuigen in wisselende samenstellingen als treinstammen ingezet. Eind jaren '50 rijdt de laatste Blokkendoosstam. Hierna rijden de motorrijtuigen onder andere als posttrein en dienstwagen. De gewone rijtuigen verschijnen in getrokken treinen. De laatste rijtuigen verdwijnen in 1972 uit de reizigersdienst. Twintig jaar later gaat testrijtuig 'Jules' als laatste motorrijtuig uit de serie buiten dienst. Intussen rijdt een groot aantal exemplaren bij museumorganisaties.

Voor de aanleg van de eerste geëlektrificeerde spoorlijn in Nederland is begin 1900 Zuid-Hollandsche Electrische Spoorweg-Maatschappij opgericht. Voor exploitatie van de nieuwe verbinding tussen Rotterdam, Den Haag en Scheveningen laat de ZHESM 19 motorrijtuigen en 9 volgrijtuigen bouwen. De eerste elektrische treinen rijden vanaf 1908 op de zogenaamde Hofpleinlijn. Door het succes van de verbinding is het materieelpark in de loop der jaren met diverse rijtuigen uitgebreid. Tijdens de Tweede Wereldoorlog is een groot deel van de rijtuigen naar Duitsland en Polen afgevoerd. Na de oorlog komen de laatste rijtuigen vrijwel niet meer een actie. Een aantal volgrijtuigen is nog tot in 1954 in dienst. Eén motorrijtuig rijdt nog tot 1956 tussen de werkplaatsen van Haarlem en Leidschendam en is hierna opgenomen in de collectie van het Spoorwegmuseum.