Stationsgebouwen

Als onderdeel van de eerste staatsaanleg nemen de Staatsspoorwegen in 1865 het baanvak Zutphen - Hengelo van Staatslijn D in gebruik. Tussen beide steden zijn vijf waterstaatstations gebouwd. De drie stations van het type vierde klasse komen in Lochem, Goor en Delden. De twee stations van het type vijfde klasse in Laren en Markelo. Alle stationsgebouwen tussen Zutphen en Hengelo blijven bewaard. Laren-Almen en Markelo zijn echter respectievelijk in 1938 en 1953 gesloten.

In 1842 neemt de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij het baanvak Haarlem - Leiden van de Oude Lijn in gebruik. Halverwege Lisse en Hillegom komt op het gelijknamige landgoed het station Veenenburg. Bijna 50 jaar later wordt besloten om station Veenenburg te vervangen door nieuwe stations in beide plaatsen. In eerste instantie stoppen de eerste treinen in Lisse bij de stopplaats Delfweg. In 1896 wordt de stopplaats samen met de nabijgelegen wachterswoning als de halte Lisse in gebruik genomen. In 1905 neemt de HSM aan de andere zijde van de overweg het stationsgebouw van Lisse in gebruik. In september 1944 verdwijnt Lisse alweer uit het Spoorboekje.

Wanneer de Nederlandsche Rhijnspoorweg-Maatschappij in maart 1845 het baanvak Driebergen - Veenendaal van de Rhijnspoorweg in gebruik neemt, komt ook in Maarn een eenvoudige stopplaats. Bij de halte staat een zeer klein stenen wachthokje met puntdak. In 1895 is het gebouwtje vergroot. Aan beide zijden komen identieke gebouwtjes die groter zijn dan het bestaande hokje. Doordat Maarn dankzij de spoorlijn, de nabijgelegen zandafgraving en het omvangrijke rangeerterrein steeds verder uitbreidt, krijgt het dorp in 1909 een geheel nieuw stationsgebouw. Het lage asymmetrische gebouw heeft naast enkele ruimtes voor de stationsdienst ook een dienstwoning. De ingang aan het stationspleintje wordt geaccentueerd met een puntgevel. De woning bevindt zich aan de rechterzijde van het gebouw en staat haaks op de rest van het gebouw.

In 1865 nemen de Staatsspoorwegen het traject Zutphen - Hengelo van Staatslijn D in gebruik. Tussen beide steden zijn vijf waterstaatstations gebouwd. De drie stations van het type vierde klasse komen in Lochem, Goor en Delden. De twee stations van het type vijfde klasse staan in Laren en Markelo. Opvallend genoeg blijven alle stationsgebouwen bewaard. NS sluit het station Laren-Almen even voor de Tweede Wereldoorlog. Markelo verdwijnt in de zomer van 1953 uit het Spoorboekje.

In 1855 opent de NRS aan de spoorlijn Utrecht - Rotterdam het station Nieuwerkerk. De voorzieningen zijn, net als bij een groot aantal vergelijkbare stations van de spoorwegmaatschappij, ondergebracht in een verbouwde directiekeet. Pas in 1910 wordt het definitieve stationsgebouw in gebruik genomen. Het asymmetrische stationsgebouw krijgt voor treinreizigers een ingang in de rechter zijvleugel. Dit is namelijk de straatzijde van het station. Aan de linkerzijde is een lage vleugel gebouwd. Het zijperron en het eilandperron zijn verbonden door een karakteristieke voetgangersbrug. Het station is in 1935 alweer gesloten voor het reizigersvervoer. De daaropvolgende jaren verdwijnen het eilandperron en de brug en is het emplacement vereenvoudigd.

In 1879 nemen de Staatsspoorwegen aan de nieuwe spoorlijn tussen Arnhem en Nijmegen vlakbij de Rijnbrug het station Oosterbeek in gebruik. Het gebouw is in tegenstelling tot de eerdere stationsgebouwen van de SS asymmetrisch en veel minder streng vormgegeven dan de gebouwen van de eerste aanlegperiode van spoorwegen door de Staat. Om verwarring met station Oosterbeek aan de Rhijnspoorweg te voorkomen, heet het station vanaf 1907 Oosterbeek Laag. In 1938 sluit NS het station voor het reizigersvervoer.

Het station van Rosmalen wordt in juni 1881 tegelijkertijd met de enige spoorlijn van de Nederlandsche Zuid-Ooster Spoorweg-Maatschappij, de verbinding tussen Tilburg, 's-Hertogenbosch en Nijmegen, in gebruik genomen. Het dorp krijgt in tegenstelling tot de meeste plaatsen aan de lijn een uniek stationsgebouw. Het eenvoudige rechthoekige gebouw is een verkleinde versie van het gebouw dat de NZOS in Udenhout neerzet. In 1905 wordt het stationsgebouw nog enigzins uitgebreid. NS schrapt het station in 1938 uit het Spoorboekje om de dienstregeling tussen 's-Hertogenbosch en Nijmegen te versnellen. Tot begin jaren '70 vindt nog goederenvervoer naar het station plaats en worden seinen en overwegen vanuit het gebouw bediend.

In 1924 wordt aan de noordzijde van de gemeente Schiebroek aan de Hofpleinlijn de halte Adrianalaan geopend. Acht jaar later wordt de halte alweer gesloten. Ter vervanging wordt ongeveer een kilometer zuidelijker de halte Wilgenplas in gebruik genomen. De halte is vernoemd naar het zwembad in de zandwinplas die is ontstaan bij de aanleg van de Hofpleinlijn. De halte heeft twee zijperrons met kleine houten haltegebouwtjes. In 1941 wordt Schiebroek bij Rotterdam gevoegd. In de jaren '50 wordt het stadsdeel ontwikkeld tot moderne tuinwijk. De halte Wilgenplas krijgt in 1955 het voorvoegsel Rotterdam.

In 1863 opent de Nederlandsche Centraal Spoorweg Maatschappij tegelijkertijd met het eerste gedeelte van de Centraalspoorweg enkele kilometers buiten de dorpskern het station van Soest. Het stationsgebouw is van het standaardtype tweede klasse van de NCS. Het hoge rechthoekige gebouw is symmetrisch en heeft twee volledige verdiepingen. Het middendeel staat zowel aan de straat- als de perronzijde naar voren. Aan de perronzijde heeft het middendeel bovendien een puntgevel. In 1891 wordt Soesterberg aan de stationsnaam toegevoegd. Wanneer de Utrechtse Lokaalspoorweg Maatschappij aan het eind van de negentiende eeuw in aansluiting op de Centraalspoorweg de spoorlijn Den Dolder - Baarn opent, krijgt Soest rondom de dorpskern maar liefst drie nieuwe stations. Station Soest-Soesterberg aan de Centraalspoorweg heet vanaf 1900 Soesterberg.